Een klant kreeg geen terugbetaling voor slecht uitgevoerd kelderwerk en een niet uitgevoerde keukenopdracht. De Rechtbank Limburg wees de vordering van €8.250 toch af, omdat niet voldoende was bewezen dat de aangeklaagde eenmanszaak de contractspartij achter de gebruikte handelsnaam was.
De zaak laat zien dat een inhoudelijk plausibele klacht over het werk niet genoeg is als onduidelijk blijft met welke ondernemer de overeenkomst is gesloten. De rechtbank kwam daardoor niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van de gebreken.
Onduidelijkheid over de ondernemer
De klant moest aantonen dat de gedaagde ondernemer de natuurlijke persoon achter de gebruikte eenmanszaak of handelsnaam was. Volgens de rechtbank ontbrak daarvoor voldoende bewijs. Zo was er geen KvK-uittreksel waaruit bleek dat de gebruikte naam een handelsnaam van de onderneming van de gedaagde was.
Ook de offerte bevatte tegenstrijdige gegevens. Daarin stonden onder meer een KvK-nummer, buitenlandse adresgegevens, een buitenlands btw-nummer en een Belgische bankrekening. Financiële overboekingen tussen rekeningen wezen volgens de rechtbank wel op een verband, maar bewezen niet dat de gedaagde ten tijde van de overeenkomsten de persoon achter de handelsnaam was.
Voor zelfstandigen en eenmanszaken die onder een handelsnaam werken, ligt daar de praktische les van de uitspraak. Offertes, facturen, websites, KvK-gegevens, btw-informatie en betaalrekeningen moeten samen duidelijk maken welke onderneming de overeenkomst sluit. Ook moet aantoonbaar zijn wie bevoegd is om namens die onderneming afspraken te maken.
Vordering afgewezen
Omdat niet vaststond dat de gedaagde contractspartij was, behandelde de rechtbank de verdere vragen over onder meer volmacht, ontbinding en de kwaliteit van het werk tegenover deze ondernemer niet inhoudelijk. De klant verloor de vordering van €8.250 en werd veroordeeld tot €1.224 aan proceskosten.
De uitspraak, gedaan op 5 augustus 2026 en gepubliceerd op 27 augustus, is daarmee geen algemene vrijwaring voor slecht uitgevoerd werk. De afwijzing berust op het ontbreken van voldoende bewijs over de contractidentiteit in deze specifieke zaak.